Identiteitskompas

 

Persoonlijke ontwikkelingsscan

 

 

Veel mensen merken dat hun inzicht al verder is dan wat hun systeem kan dragen.

Deze scan volgt hoe je systeem reageert wanneer spanning ontstaat.

 

Deze scan is gebaseerd op het Identiteitskompas, een ontwikkelingsmodel dat in mijn praktijk is ontstaan vanuit jarenlange begeleiding van mensen die vastliepen in terugkerende patronen.

Deze ontwikkelingsscan laat zien hoe jouw systeem reageert onder spanning en waar al ruimte ontstaat voor verandering.

 

Kies wat het meest lijkt op hoe je reageert wanneer het spannend wordt.

Je eerste reactie klopt vaak het meest.

Waar herken je jezelf het meest in?

23 korte vragen – duurt ongeveer 3 minuten

 

 

 

Vraag 1 — reactie onder spanning

 

Wanneer iets persoonlijk wordt in een gesprek:

A Ik ga me aanpassen zodat het rustig blijft

B Ik ga uitleggen of analyseren wat er gebeurt

C Ik voel wat het met mij doet en blijf bij mezelf

D Ik trek me terug of sluit me af

 

 

Vraag 2 — relatie met eigen gevoel

 

Wanneer ik een beslissing moet nemen:

A Ik kijk eerst wat anderen nodig hebben

B Ik twijfel of mijn gevoel wel klopt

C Ik kan meestal voelen wat voor mij klopt

D Ik stel beslissingen liever uit

 

 

Vraag 3 — grenzen

 

Wanneer iemand iets van mij vraagt wat eigenlijk te veel is:

A Ik zeg meestal toch ja

B Ik zeg ja maar voel spanning

C Ik kan nee zeggen zonder mezelf kwijt te raken

D Ik vermijd de situatie

 

 

Vraag 4 — mentale activiteit

 

Na een gesprek dat spanning gaf:

A Blijf ik er lang over nadenken

B Vraag ik me af wat ik beter had kunnen doen

C Kan ik het meestal weer loslaten

D Probeer ik het niet te voelen

 

Vraag 5 — focus van aandacht

 

In contact met anderen merk ik vaak dat:

A Mijn aandacht automatisch naar de ander gaat

B Ik bezig ben het goed te doen

C Ik contact houd met mezelf én de ander

D Ik mezelf een beetje afsluit

 

Vraag 6 — zelfkritiek

 

Wanneer iets niet loopt zoals ik hoopte:

A Geef ik mezelf snel de schuld

B Denk ik dat ik het anders had moeten doen

C Kan ik mild blijven naar mezelf

D Probeer ik het weg te duwen

 

 

Vraag 7 — emotionele aanwezigheid

 

Wanneer er sterke emoties ontstaan:

A Probeer ik ze onder controle te houden

B Probeer ik ze te begrijpen

C Kan ik ze voelen zonder mezelf kwijt te raken

D Voel ik vooral weinig of niets

 

 

Vraag 8 — basisregulatie check 

 

Wanneer ik spanning voel in mijn lichaam:

A Wil ik dat het zo snel mogelijk stopt

B Probeer ik het te verklaren

C Kan ik erbij blijven zonder direct te reageren

D Raak ik het contact met mezelf kwijt

 

 

Vraag 9 — toepassen vs weten

 

Wanneer ik merk dat ik gespannen raak:

A Ga ik er vooral over nadenken

B Weet ik wat zou helpen maar doe ik het niet altijd

C Probeer ik bewust terug te komen naar mezelf

D Raak ik het contact met mezelf kwijt

 

 

Vraag 10 — verantwoordelijkheid

 

Wanneer ik merk dat oude patronen terugkomen:

A Hoop ik dat het vanzelf weer weggaat

B Zoek ik bevestiging dat ik het goed doe

C Probeer ik zelf te blijven oefenen met wat ik leer

D Vermijd ik het liever

 

 

Vraag 11 — lichaamsbewustzijn

 

Wanneer spanning oploopt:

A Zit ik vooral in mijn hoofd

B Merk ik het pas achteraf

C Kan ik het steeds eerder voelen

D Wordt alles een beetje vlak

 

 

Vraag 12 — pauze vermogen

 

Wanneer emoties oplopen:

A Reageer ik vaak direct

B Probeer ik het te controleren

C Kan ik soms eerst even pauze nemen

D Trek ik me terug

 

 

Vraag 13 — patroonherkenning

 

Wanneer ik terugval in oud gedrag:

A Zie ik het meestal niet

B Zie ik het achteraf

C Herken ik het steeds sneller

D Vermijd ik het om ernaar te kijken

 

 

Vraag 14 — eigen plek innemen

 

In contact met anderen merk ik dat:

A Ik mezelf snel aanpas

B Ik zoek of ik het goed doe

C Ik mezelf steeds iets meer blijf

D Ik mezelf afsluit

 

 

Vraag 15 — emoties dragen

 

Wanneer er sterke emoties opkomen:

A Probeer ik ze weg te drukken

B Probeer ik ze te begrijpen

C Kan ik ze steeds iets beter voelen zonder mezelf kwijt te raken

D Voel ik ze vaak niet echt

 

 

Vraag 16 — verantwoordelijkheid voor gevoelens

 

Wanneer ik me geraakt voel:

A Zoek ik vaak een oorzaak buiten mezelf

B Probeer ik te begrijpen waarom het gebeurt

C Kan ik zien wat het in mij raakt

D Trek ik me terug

 

 

Vraag 17 — emotionele draagkracht

 

Wanneer iets pijn doet:

A Wil ik dat het zo snel mogelijk stopt

B Zoek ik afleiding

C Kan ik het soms even laten bestaan zonder direct iets te doen

D Sluit ik me af

 

 

Vraag 18 — aanwezig blijven

 

Wanneer iets spannend wordt:

A Reageer ik automatisch

B Ga ik analyseren

C Kan ik steeds vaker even blijven

D Trek ik me terug

 

 

Vraag 19 — eigen richting

 

Wanneer ik keuzes moet maken:

A Kijk ik wat anderen verwachten

B Twijfel ik lang

C Voel ik steeds beter wat voor mij klopt

D Stel ik keuzes uit

 

 

Vraag 20 — bevestiging

 

In contact met anderen merk ik:

A Dat ik bevestiging zoek

B Dat ik wil weten of ik het goed doe

C Dat ik steeds minder bevestiging nodig heb

D Dat ik me afsluit

 

 

Vraag 21 — eigen plek

 

In groepen of relaties:

A Pas ik me vaak aan

B Observeer ik veel

C Neem ik steeds meer mijn eigen plek in

D Blijf ik op afstand

 

 

Vraag 22

 

Wanneer ik merk dat verandering nodig is:

A Hoop ik dat het vanzelf verandert

B Blijf ik zoeken naar antwoorden

C Ben ik bereid er echt mee aan de slag te gaan

D Stel ik het uit

 

 

Vraag 23 — omgaan met moeilijkheid

 

Wanneer iets tijd en herhaling vraagt:

A Verlies ik motivatie

B Stel ik het vaak uit

C Blijf ik oefenen ook als het langzaam gaat

D Vermijd ik het

 

 

Deze scan is bedoeld voor ontwikkeling, niet voor diagnose.

Hoe je jouw uitkomst kunt lezen

 

Kijk naar de letter die je het vaakst hebt gekozen.

 

Voor de meeste mensen ontstaat daar vanzelf een beeld:

 

A → vaak nog reageren vanuit spanning en aanpassen

Je systeem staat vaak aan.

Je past je aan, denkt vooruit of probeert het goed te doen.

Wat je voelt, beweegt snel naar buiten. Naar de ander. Naar de situatie.

 

B → zien wat er gebeurt, maar het nog niet kunnen doorbreken

Je ziet wat er gebeurt. Je begrijpt je patronen steeds beter.

En toch gebeurt het in het moment zelf opnieuw.

 

C → meer ruimte om anders te reageren in het moment

Je merkt dat er soms ruimte komt.

Dat je iets eerder voelt wat er gebeurt.

Dat je niet meer overal automatisch in meegaat.

 

 

D → meer stabiliteit en contact met jezelf

Je blijft vaker bij jezelf.

Ook wanneer het spannend wordt.

Er is meer rust. Meer richting van binnenuit.

 

 

 

Je hoeft het niet exact te tellen. Meestal herken je snel waar je jezelf het meest in terugziet. Twijfel je tussen twee, kijk dan naar hoe je reageert wanneer het moeilijk wordt.

 

Het is geen score. Het laat alleen zien hoe je systeem nu beweegt.

Waar je jezelf ook herkent, het zegt niets over hoe ver je bent. Het laat alleen zien wat er gebeurt in het moment zelf.

En precies daar begint het werk.

Je begrijpt het. En toch gebeurt het nog steeds in het moment zelf.

 

En ergens voel je dat het daar niet verandert door nog meer te begrijpen. Dat het iets anders vraagt. Maar dat je niet precies weet wat.

 

Je hoeft niet overal iets mee te doen. Maar ergens in wat je hier leest, ligt vaak precies waar het begint.

 

 

 

 

Ik had iemand naast mij nodig die niet van mij afweek op de momenten dat het spannend werd.

Juist daar ontstond de beweging die ik zelf niet kon maken.

Wil je hier persoonlijk naar kijken, dan kunnen we daar samen naar kijken.

We kijken samen waar je staat en wat daarin klopt. Er hoeft niets besloten te worden. Alleen eerlijk kijken.

Je hoeft het niet eerst helder te hebben. Dat wordt het juist daar.

Voor wie voelt dat dit niet meer bij kijken alleen blijft.