Dagelijks spreek ik mensen die hun verhaal met mij delen.

Mensen die vaak al een behoorlijk lange weg achter de rug hebben.

 

Sommigen zijn zelf op zoek gegaan. Anderen kwamen terecht bij de GGZ of andere vormen van hulpverlening. En veel mensen hebben beide bewandeld.

 

Wat mij iedere keer weer opvalt...Is niet alleen hoeveel iemand al heeft gedaan. Maar vooral dat iemand ondanks alles nog steeds kan vastlopen.

 

Ik hoor verhalen over diagnoses.
Therapieën.
Methoden.
Oefeningen.
Modules.

Ik heb inmiddels van alles voorbij horen komen.

En toch...
loopt iemand nog steeds vast.

Mensen lopen niet vast omdat ze te weinig weten.
Vaak heb je al veel geprobeerd, veel geleerd en veel inzichten opgedaan.

En toch kan iemand vastlopen wanneer alles wat geleerd wordt nog wordt toegepast vanuit een plek die volledig door overleving wordt aangestuurd.

 

Het gaat mij daarom niet om hoeveel iemand heeft gedaan.
Ook niet om wat iemand allemaal heeft geprobeerd.

 

Wat mij opvalt, is dat iemand ondanks al die kennis, inzichten, oefeningen en methoden nog steeds op hetzelfde punt kan uitkomen. Waar vaak voorbij wordt gekeken, is of iemand aanwezig is om daar werkelijk iets mee te kunnen.

 

Het probleem zit niet in de technieken of methoden die bestaan.
Het gaat om de plek van waaruit iemand probeert om ze toe te passen.
Beweegt iemand nog vanuit overleving?

 

Wanneer we als kind opgroeien in een omgeving waarin emotionele veiligheid ontbreekt, doet een lichaam iets heel natuurlijks. Het natuurlijke instinct van een mens gaat als eerste af op veiligheid en zolang een kind die veiligheid niet ervaart, blijft alles gericht op het vinden daarvan.

 

Een kind zijn aandacht gaat dan niet eerst naar zichzelf, maar naar de wereld om zich heen.
Het kan niet tegelijk volledig naar buiten én naar binnen met zijn aandacht.

Alle aandacht gaat naar de omgeving...
Ben ik hier veilig?

Daar kiest een kind niet bewust voor.
Het is de natuurlijke beweging van een mens wanneer veiligheid ontbreekt.

 

Die veiligheid ontstaat ook niet door meer uitleg, methodes of technieken.

De natuurlijke beweging herstelt door ervaring.

 

Dat zien we al vanaf het begin van een mensenleven.

Een baby hoeft niet uitgelegd te krijgen hoe hij moet bewegen.

Een baby leert niet lopen omdat iemand zegt:

“Zet nu eerst je linkervoet naar voren.”

Een baby leert lopen doordat hij duizenden keren mag proberen, vallen, opstaan en weer verder bewegen.

Een baby ontwikkelt zich niet doordat iemand hem vertelt hoe dat moet. Ook niet door één veilige ervaring.

Het ontstaat doordat er steeds weer iemand is. Iemand die blijft. Iemand die aanwezig is.

 

Ook als kind leren we niet vanzelf omgaan met wat we voelen. Dat ontstaat in de momenten waarop er iemand aanwezig is wanneer iets gebeurt. Wanneer een kind verdrietig, boos of bang is en er iemand blijft, ontstaat er langzaam een ervaring dat wat er gebeurt gedragen kan worden. Een kind is daarin volledig afhankelijk van de mensen om zich heen.

Een kind wordt vanzelf ouder, maar niet alles groeit vanzelf mee.

Wat emotioneel geen ruimte kreeg om mee te groeien, groeit niet vanzelf mee wanneer we volwassen worden.

Iemand kan volwassen zijn in leeftijd, maar toch nog steeds worden aangestuurd vanuit wat ooit nodig was om te overleven.

Dat kan er op allerlei manieren uitzien.

 

Iemand kan precies weten dat een grens nodig is, maar op het moment zelf toch merken dat het niet lukt om die grens te bewaken.

Iemand kan heel graag een andere stap willen zetten, maar telkens weer voelen dat iets hem tegenhoudt.

Of iemand kan veel inzicht hebben en zichzelf op het moment zelf toch opnieuw verliezen.

Het kan er voor iedereen anders uitzien, maar de beweging eronder is vaak dezelfde.

Ook wanneer we volwassen zijn, ontstaat dat niet vanzelf.

 

 

Zo kan iemand ontzettend veel tijd en energie hebben gestoken in ontwikkeling, en toch merken dat er wezenlijk niets verandert.

Bij een baby begrijpen we heel goed dat een natuurlijke beweging niet ontstaat door uitleg, oefeningen of technieken. Toch verwachten we bij volwassenen vaak dat iets nieuws kan ontstaan door te weten wat anders moet, door te oefenen of door een andere techniek toe te passen. Terwijl juist de plek van waaruit iemand dat probeert toe te passen vaak niet wordt meegenomen.

 

Daardoor gaat de aandacht al snel naar methodes, technieken en oefeningen.

En die kunnen zeker waardevol zijn.

Het probleem zit ook hier niet in de methode, maar in de plek van waaruit iemand haar probeert toe te passen.

 

Je kunt niet verder vanuit iets wat nog onvoldoende aanwezig is.

Wanneer overleving nog steeds de blik bepaalt, verandert niet alleen wat iemand doet, maar ook wat iemand ziet.

 

 

Iemand kan een grens leren uitspreken en hem vanuit angst uitspreken.

Iemand kan allerlei manieren leren om met emoties om te gaan, terwijl wat eronder ligt nog steeds aanwezig is.

Iemand kan alles weten over compassie en zelfliefde, maar wanneer overleving nog steeds aan het stuur zit, blijft het moeilijk om werkelijk aanwezig te zijn bij dat wat ooit pijn heeft gedaan.

Zelfliefde ontstaat niet door jezelf iets anders te vertellen.

Het groeit wanneer iemand leert blijven bij dat wat vroeger geen veilige plek heeft gehad.

Iemand kan zijn trauma begrijpen en er nog steeds vanuit leven.

Iemand kan leren dat het goed is om iets los te laten, terwijl het lichaam het nog niet veilig genoeg vindt om dat ook werkelijk te doen.

Veel mensen kijken als eerste naar hun trauma.


Naar wat er is gebeurd.
Naar wat de oorzaak moet zijn van waarom ze voelen wat ze voelen, doen wat ze doen en reageren zoals ze reageren.
Omdat het lijkt alsof daar de antwoorden liggen.

 

Maar om werkelijk te kunnen ontmoeten wat daaronder ligt, is er eerst iemand nodig die aanwezig is.
Vanuit die aanwezigheid wordt vanzelf zichtbaar wat er werkelijk gezien kan worden. Er hoeft dan niet gezocht of gegraven te worden naar trauma.

Zolang iemand vanuit overleving blijft kijken, wordt ook alles wat zichtbaar wordt vanuit diezelfde plek waargenomen.

 

Er mag eerst weer een veilige ruimte ontstaan waarin iemand kan ervaren dat hij aanwezig kan blijven, ook wanneer er iets geraakt wordt. Co-regulatie maakt die ervaring opnieuw mogelijk, waardoor van daaruit langzaam weer zelfregulatie kan groeien.

Regulatie is niet het doel, maar maakt de aanwezigheid mogelijk die nodig is om werkelijk te kunnen blijven bij wat er vanbinnen gezien wil worden.

 

Vanuit die aanwezigheid ontstaat de ruimte om te ontmoeten wat lange tijd geen veilige plek heeft gehad.

Vanuit ontmoeting laat trauma zichzelf zien.

 

 

We volgen de natuurlijke beweging van een mens…
Een beweging die zich niet laat afdwingen. Er worden geen volgende stappen gezet voordat iemand die werkelijk kan dragen.

 

Het proces verloopt in het tempo waarin iemand aanwezig kan blijven en werkelijk kan dragen wat zich aandient. Het zenuwstelsel bepaalt daarin het tempo.

 

De natuurlijke beweging van een mens verdwijnt niet wanneer iemand lange tijd heeft moeten overleven. Ze raakt alleen steeds verder uit beeld wanneer alles lange tijd gericht is geweest op veiligheid.

 

Wanneer er weer een veilige basis ontstaat, komt er opnieuw ruimte om die natuurlijke beweging te voelen.

Ik werk niet vanuit een andere techniek.
Ik werk vanuit een andere waarneming.

Wanneer ik naar een mens kijk, zie ik zelden één lijn.

Ik zie twee stromen.
Een natuurlijke stroom.
En een stroom die ooit is ontstaan omdat het op dat moment niet anders kon.

 

Soms bewegen die twee zo lang naast elkaar, dat bijna niet meer zichtbaar is vanuit welke stroom iemand leeft.
De ene wordt steeds stiller.
De andere steeds nadrukkelijker aanwezig.

 

Wanneer ik kijk, zie ik iets anders.

Ik zie iemand die beschadigd is en tegelijk wat nooit verloren is gegaan.

Ik zie hoe overleving iemands blik heeft veranderd en hoe de natuurlijke stroom uit het zicht is geraakt.

 

Hier lees je meer over mijn waarneming.